De Wet normering topinkomens (WNT) stelt duidelijke grenzen aan bestuurdersbeloningen in de publieke en semipublieke sector. Dit kan soms als knellend ervaren worden, zeker wanneer bestuurders via een eigen vennootschap werken. De verleiding om via aanvullende overeenkomsten met de eigen holding meer te ontvangen dan de WNT toelaat, ligt dan op de loer. Maar wie dat doet zonder de tegenstrijdig-belangregeling in acht te nemen, loopt een aanzienlijk risico.
Een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden laat zien hoe die twee thema's samenkomen – en wat de gevolgen kunnen zijn.
Wat speelde er
Van 2016 tot 2022 was één persoon de enige bestuurder van een zorgcoöperatie actief in de palliatieve thuiszorg én directeur-grootaandeelhouder van haar eigen holding. In die dubbele hoedanigheid sloot zij namens de zorgcoöperatie drie overeenkomsten met haar eigen vennootschap: een managementovereenkomst, een licentieovereenkomst voor de handelsnaam en een huurovereenkomst voor kantoorruimte.
Tezamen brachten die overeenkomsten de totale vergoeding ruim boven het WNT-maximum. Toen een nieuwe raad van commissarissen de situatie onder de loep nam, werd de bestuurder ontslagen. Vervolgens ontstond een geschil over ruim zeven ton aan reeds betaalde vergoedingen.
Hof maakt onderscheid
Het hof kijkt genuanceerd naar de verschillende overeenkomsten.
De managementovereenkomst vormt op zichzelf geen probleem. Tegenover de managementvergoeding stonden daadwerkelijk verrichte bestuurswerkzaamheden en de vergoeding daarvoor was gekoppeld aan de WNT-norm. Het hof ziet in deze overeenkomst dan ook geen bezwaar.
Bij de licentieovereenkomst volgt het oordeel dat daar geen reële tegenprestatie tegenover stond: de handelsnaam werd al jaren gevoerd. Volgens het hof diende de constructie om te ontkomen aan de WNT-norm. De bestuurder had er, gezien haar tegengesteld belang, op moeten toezien dat de besluitvorming volgens de geldende regels verliep. Dat zij dit heeft nagelaten, kwalificeert het hof als ernstig verwijtbaar.
Bij de huurovereenkomst valt het oordeel anders uit. Het kantoor werd daadwerkelijk gebruikt en de huur was bescheiden. Het hof vindt het onverstandig dat de bestuurder deze overeenkomst, zonder goedkeuring van anderen, met haar eigen holding sloot, maar komt niet tot ernstige verwijtbaarheid.
Dat onderscheid is interessant. Het suggereert dat niet elk tegenstrijdig belang automatisch tot aansprakelijkheid leidt. Het ontbreken van een zorgvuldig besluitvormingsproces kan een bestuurder wél kwetsbaar maken als achteraf vraagtekens worden gezet bij de inhoud van een transactie.
Ook de holding aansprakelijk
Opvallend is dat het hof ook de holding niet ontziet. De holding was volgens het hof niet louter een passieve ontvanger, maar instrumenteel bij het handelen van de bestuurder. Op grond van groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW) houdt het hof daarom de bestuurder én de holding hoofdelijk aansprakelijk voor ruim € 704.000.
Belang van onafhankelijke besluitvorming
In de praktijk krijgt de tegenstrijdig-belangregeling bij kleinere organisaties soms minder aandacht. Dat speelt met name wanneer er slechts één bestuurder is en het toezicht beperkt is. Maar juist in die situatie is een zorgvuldig besluitvormingsproces erg waardevol. Het dwingt tot een moment van onafhankelijke toetsing: zijn de voorwaarden marktconform, is er een reële tegenprestatie, past de vergoeding binnen de wettelijke kaders?
Als dat proces hier zorgvuldig was doorlopen, dan was de licentieovereenkomst waarschijnlijk niet in deze vorm tot stand gekomen. En dan had de bestuurder een procedure van ruim zeven ton kunnen voorkomen.









