Het komt voor dat werkgevers bij ziekte wachten tot er re-integratiemogelijkheden ontstaan. Dit is een riskante aanpak. Als er bijvoorbeeld geen plan van aanpak tot re-integratie is opgesteld, kan het UWV een loonsanctie van 52 weken opleggen.
Oók als de werknemer uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt wordt verklaard. Deze uitspraak onderstreept dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie altijd bij de werkgever blijft liggen.
Wat speelde er?
Een verkoopmedewerker van supermarktketen Hoogvliet meldt zich eind 2020 ziek. De dag na haar ziekmelding meldt ze zich bij de bedrijfsarts. Deze constateert dat de werknemer forse beperkingen heeft en dat een behandeling wordt opgestart. De arts stelt vast dat de medewerker vanwege haar klachten niet inzetbaar is voor haar eigen werk.
In de maanden die volgen, geeft de bedrijfsarts aan dat er geen benutbare mogelijkheden zijn. De gezondheidssituatie van de werknemer blijft instabiel. In de tussentijd spant de werkgever zich weinig in voor de re-integratie. Zo stelt Hoogvliet geen plan van aanpak op, is er geen structureel contact met de medewerker en verricht de supermarkt geen zichtbare inspanningen om de werknemer weer aan het werk te krijgen.
Pas in september 2022, de werknemer is dan al bijna 2 jaar arbeidsongeschikt, stelt Hoogvliet een beknopt plan van aanpak op. De werknemer ondertekent het plan van aanpak niet en wordt ook niet betrokken bij het opstellen ervan. Een maand later zet de werkgever het tweede spoortraject in.
Altijd re-integratie-inspanningen nodig
Bij de WIA-aanvraag in november 2022 blijkt dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is. De werkgever denkt: 'eind goed, al goed', maar dat klopt niet. Het UWV oordeelt dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn geweest en legt een loonsanctie op van 52 weken. Dat betekent dat de werkgever het loon van de medewerker een jaar langer moet doorbetalen.
De werkgever maakt hiertegen bezwaar. De bedrijfsarts gaf tenslotte aan dat er geen re-integratiemogelijkheden waren en ook de WIA-beschikking bevestigt dit beeld. Het bezwaar wordt afgewezen en de zaak komt uiteindelijk bij de rechtbank terecht.
Wat vindt de rechter?
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever ernstig tekortgeschoten is in zijn re-integratieverplichtingen. Het feit dat de bedrijfsarts voor een lange periode heeft aangegeven dat er geen benutbare mogelijkheden zijn, ontslaat de werkgever niet van de plicht om het re-integratieproces op gang te brengen en te blijven volgen.
Juist in zulke situaties wordt van de werkgever verwacht dat hij actief regie voert, onder meer door het opstellen van een plan van aanpak, het onderhouden van contact met de werknemer, en het regelmatig evalueren van de situatie.
Dat het plan van aanpak pas na bijna 2 jaar werd opgesteld en bovendien zonder betrokkenheid van de werknemer, weegt zwaar. Ook het feit dat er nauwelijks documentatie is over het verloop van het proces, weegt in het nadeel van de werkgever. De rechter benadrukt dat de re-integratieverplichting inhoudt dat er aantoonbaar inspanningen moeten worden geleverd, ongeacht of die uiteindelijk leiden tot werkhervatting.
Volledige arbeidsongeschiktheid
Dat de werknemer uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt werd verklaard en een 80-100% WIA-uitkering kreeg, maakt dit niet anders. De WIA-beoordeling zegt iets over de mate van arbeidsongeschiktheid op dat moment, maar niet over de kwaliteit van de re-integratie-inspanningen in de voorafgaande periode. En juist daar ging het mis.
Bron: Rechtbank Den Haag, 3 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13380
Dit artikel verscheen eerder op PWnet














